Ik ben een vergeten Jood

Auteur: David A. Harris

Ter gedachtenis aan al de vergeten Joden die gevlucht zijn uit de Arabische landen.
http://www.aish.com/jw/s/I-Am-a-Forgotten-Jew.html?s=mm

Ik ben een 'vergeten Jood'

Mijn wortels gaan bijna 2,600 jaar terug, mijn voorouders hebben een betekenisvolle bijdrage geleverd aan de bevolking van de wereld, onze aanwezigheid werd gevoeld van Noord Afrika tot de vruchtbare Halve Maan - maar ik besta nog nog maar nauwelijk vandaag de dag. Ik ben een Jood die leeft in de Arabische wereld. Dat is niet helemaal accuraat uitgedrukt... Ik ben in een semantische val gevallen (een 'begripsval', iets wat tweeledig (of meer) uitgelegd kan worden) die dateert van vóór de Arabische verovering in zowat elk land waar ik woonde. Toen de Arabische invaders Noord-Afrika veroverden, bijvoorbeeld, was ik hier al meer dan zes eeuwen aanwezig.

Vandaag, kunt u nauwelijks een spoor van mij vinden in deze meest uitgestrekte regio. Probeert u mij maar te vinden in Irak.
Weet u nog van de Babylonische ballingschap uit het oude Judea, na de verwoesting van de eerste tempel in 586 BCE? Vergeet u alstublieft niet de bruisende Joodse Gemeenschap die er ontstaan is in Iraq en dat de Babylonische Talmoed hier geschreven is?

Weet u dat wij Joden in Irak in de negende eeuw, onder islamitische heerschappij, werden gedwongen om een opvallende gele patch op onze kleding te dragen – een voorloper van het beruchte nazi-gele kenteken- en met andere discriminerende maatregelen werden geconfronteerd? Of dat we in de elfde en veertiende eeuw geconfronteerd werden met zware belastingen, de vernietiging van diverse synagogen, en ernstige onderdrukking?

En ik vraag me af of u ooit hebt gehoord van de Farhud, 'de verdeling van wet en orde', in Bagdad in juni 1941. George Gruen, een AJC-specialist, deed hiervan melding: "Tijdens geweldadig geweld werden er tussen de 170-180 Joden vermoord, meer dan 900 raakten gewond en 14,500 Joodse inwoners leden materiele schade door plunderingen of vernietiging van hun winkels en woningen. Alhoewel de overheid de orde herstelde ( ...) werden de Joodse bevolking afgeperst door de regering op de werkvloer, kwamen er beperkingen in scholen en werden ze onderworpen aan gevangenisstraf, kregen ze zware boetes opgelegd of werd er beslag gelegd op eigendommen op de meest minimale aanklacht van het verbonden zijn met één of beide van de twee verbannen bewegingen.

Inderdaad, Communisme en Zionisme hanteerden vaak gelijkluidende statuten. In Irak was louter de ontvangst van een brief van een Jood uit Palestina [voor het jaar 1948] voldoende reden om arrestatie en verlies van goederen over de ontvanger van de brief af te roepen."

Op het hoogtepunt [in 1948] waren we met 135.000 Joden en waren we een uiterst belangrijke factor in vrijwel elk aspect van de Iraakse samenleving. Om onze rol te illustreren, dit is wat de "Judaïca encyclopedie" over het Iraakse jodendom schreef: "Gedurende de 20e eeuw, hebben Joodse intellectuelen, schrijvers en dichters een belangrijk bijdrage geleverd aan de Arabische taal- en Letterkunde door het schrijven van boeken en talrijke essays."

In 1950 werden andere Iraakse Joden en ik werden geconfronteerd met de herroeping van het burgerschap, inbeslagneming van activa, en, meest onheilspellend, openbare executies door ophanging. Een jaar eerder, deelde de Iraakse premier Nuri Sa'id de Britse ambassadeur in Amman mee dat hij een verdrijvingsplan in gedachten had om de hele Joodse Gemeenschap uit Irak te verdrijven en aan de drempel van de Jordaanse staat achter te laten. De ambassadeur vertelde later over deze episode in een memoir getiteld "Achter de Coulissen: Amman memoires, 1947-1951".

Wonderbaarlijk genoeg, kreeg, in 1951, 100.000 van ons de gelegenheid om, dankzij de buitengewone hulp van Israël, maar met weinig meer dan de kleren op onze rug, Irak te verlaten. De Israëli's noemde deze reddingsoperatie "Ezra en Nehemia".

Degenen onder ons die achterbleven, leefde in voortdurende angst – angst voor geweld en meer openbare ophangingen, zoals plaats vond op 27 januari 1969, toen negen Joden werden opgehangen in het centrum van Bagdad op verzonnen beschuldigingen, terwijl honderdduizenden Irakezen de executies wild toejuichten. De rest van ons zag op één of andere manier kans om weg te komen, met inbegrip van vrienden van mij die veiligheid gevonden hadden in Iran, toen het werd geregeerd door de Sjah.

Nu zijn er geen Joden meer achtergebleven in Irak om voor ons te spreken, noch zijn er monumenten, musea of andere herinneringen van onze aanwezigheid op Iraaks grondgebied gedurende zesentwintig eeuwen lang.

Verwijzen de leerboeken die gebruikt worden op Iraakse scholen vandaag nog naar onze aanwezigheid gedurende 2600 jaar of naar onze positieve bijdrage aan de evolutie van de Iraakse samenleving en cultuur? Sluit dat maar uit. 2600 Jaar zijn uitgewist, weggevaagd, alsof ze er nooit geweest zijn. Kan je jezelf er misschien toe brengen om even in mijn schoenen te gaan staan en de ondraaglijke pijn van verlies en onzichtbaarheid te voelen?

Ik ben een vergeten Jood.

Ik vestigde me voor het eerst in wat het hedendaagse Libië wordt genoemd door de Egyptische heerser Ptolemaeus Lagos (323-282 voor de gangbare jaartelling), volgens de eerste-eeuwse Joodse geschiedschrijver Josephus. Mijn voorvaders en voormoeders hebben sinds die tijd altijd gewoond op dit grondgebied voor meer dan twee millennia. De grootte van onze Gemeenschap werd versterkt door de Berbers die zich bekeerd hadden tot het Judaïsme. Spaanse en Portugese Joden vluchtten voor de Inquisitie en de Italiaanse Joden staken de Middellandse Zee over.

Ik werd geconfronteerd met de anti-Joodse wetgeving van de bezettende Italiaanse fascisten. Ik heb de opsluiting van 2600 medeJoden in een werkkamp in 1942 doorstaan. Ik overleefde de deportatie van 200 medeJoden naar Italië datzelfde jaar. Ik heb de dwangarbeid in Libië, tijdens de oorlog, overleefd. Ik ben getuige geweest van moslim-rellen in 1945 en 1948, dat bijna 150 Libische joden voot dood achterliet, waarbij honderden gewond raakten en duizenden hun huizen kwijt raakten.

Ik keek met onzekerheid toe toen Libië een onafhankelijk land werd in 1951. Ik vroeg me af wat er zou gebeuren met de 6000 achterblijvers in Libië, het overblijfsel van de 39.000 Joden die deze eens- zo-trotse gemeenschap hadden gevormd – dat wil zeggen, totdat de rellen veroorzaakte dat velen hun boeltje bij elkaar pakten en vertrokken naar de pas opgerichte staat Israel.

Het goede nieuws was dat er grondwettelijke bescherming kwam voor minderheidsgroepen in de nieuw opgerichte Libische natie, maar het slechte nieuws was dat ze volledig werden genegeerd.

Binnen tien jaar na de onafhankelijkheid van mijn land van herkomst, kon ik niet stemmen, geen openbaar ambt uitoefenen of in het leger dienen, geen paspoort verkrijgen, geen nieuwe onroerende goederen aankopen, geen meerderheidsbelang verwerven in elk nieuw bedrijf of deelnemen aan het toezicht houden op allerlei gemeenschapsgerichte handelingen.

Juni 1967 werd de teerling geworpen. Degenen onder ons die gebleven waren - in de hoop dat situaties zouden verbeteren, in een land waarmee we ons diep verbonden wisten en die, op onregelmatige basis, soms toch ook weer heel goed voor ons was geweest - hadden geen andere keuze meer dan om te vluchten. De Zesdaagse oorlog was er de oorzaak van dat er een explosieve atmosfeer in de straten hing. Achttien Joden werden gedood en Joodse huizen en winkels werden verbrand tot op de fundamenten. Ik en 4000 andere Joden verlieten het land met alleen maar met dat wat we snel mee konden nemen in een koffer en met maar een paar dollar op zak.


Het werd me nooit meer toegestaan om terug te keren. Nooit heb ik de activa teruggekregen die ik had achtergelaten in Libië, ondanks de beloften van de regering. Feitelijk is het allemaal gestolen – de huizen, meubels, winkels, gemeentelijke instellingen, noem maar op. Nog erger was het verlies van de mogelijkheid om de graven van mijn familieleden op te zoeken. Dat heeft me vooral diep gekwetst. Er is mij verteld dat kolonel Qaddhafi, die in 1969 de macht greep, de Joodse begraafplaatsen met bulldozers met de grond gelijk heeft gemaakt en de grafstenen voor de wegenbouw heeft gebruikt.

Ik ben een vergeten Jood.

Mijn ervaringen – de goede en de slechte – zijn opgeslagen in mijn geheugen, en ik zal mijn best doen om het door te geven aan mijn kinderen en kleinkinderen, maar hoeveel kunnen ze onthouden [en geven ze zelf weer door]? Hoeveel herkennen ze nog van een cultuur die een overblijfsel lijkt uit een ver verleden die steeds verder van hen af komt te staan [begripsmatig] en ongrijpbaar lijkt? Waar, een paar boeken en artikelen over mijn geschiedenis geschreven zijn, zijn het – en hier ben ik te genereus- verre van bestsellers.

Kunnen deze boeken concurreren met de systematische poging door de Libische leiders om de sporen uit te wisen van mijn aanwezigheid meer van meer dan twee millennia? Kunnen deze boeken concurreren met een wereld die vrijwel geen aandacht besteed aan het einde van mijn bestaan?

Neemt u eens een kijkje bij The New York Times index van voor 1967 en u zult zelf kunnen constateren hoe de krant het verslag van de tragische ondergang van een oude Gemeenschap in Libië afdekte met ander nieuws. Ik kan u de moeite van het kijken besparen – slechts een paar armzalige regels was wat er over geschreven werd. Meer zult u niet vinden.

Ik ben een vergeten Jood.

Ik behoor tot honderden duizenden Joden die vroeger in landen zoals Irak en Libië woonden. Bij elkaar geteld zijn we met ongeveer 900.000 overgebleven in 1948. Vandaag zijn we met minder dan 5.000, voornamelijk geconcentreerd in twee gematigde landen - Marokko en Tunesië.

Eens waren we levendige gemeenschappen in Aden, Algerije, Egypte, Libanon, Syrië, Jemen en andere landen, met wortels die letterlijk 2.000 jaar en meer teruggaan. Nu staat er bijna geen Joodse gemeenschap meer overeind.

Waarom wil niemand ons verhaal vertellen? Waarom doet de wereld zo meedogenloos en spreken ze zo obsessief over de Palestijnse vluchtelingen uit de 1948- en 1967 oorlogen in het Midden-Oosten – die, niet onbelangrijk, dakloos zijn geraakt door oorlogen die begonnen zijn door hun eigen Arabische broeders – maar volledig voorbijgaan aan de de Joodse vluchtelingen uit dezelfde periode [1948 - 1967]?

Waarom wordt de indruk op de wereld achtergelaten dat er maar één vluchtelingenvolk was die de dupe was van het Arabisch-Israëlisch conflict, of, meer precies, het Arabisch conflict met Israël, toen - in feite zijn er twee populaties vluchtelingen - het aantal Joodse vluchtelingen toch net even groter was dan dat onder de Palestijnse bevolking?

Ik heb veel slapeloze nachten doorgebracht met de vraag hoe deze onrechtvaardigheid de wereld in is gebracht...

Moet ik mezelf iets verwijten?

Misschien aanvaard wij Joden uit Arabische landen ons lot te passief? Misschien maken wij geen gebruik van de gelegenheid om ons verhaal te vertellen? Kijk naar de Europese Joden. Ze uitten zich in artikelen, boeken, gedichten, toneelstukken, schilderijen en films om hun verhaal te vertellen. Ze hebben de perioden van vreugde en de perioden van tragedie afgebeeld en ze deden het op een manier die sprak tot de verbeelding van veel niet-Joden. Misschien was ik te fatalistisch, te getraumatiseerde en misschien was ik wel gewoon te onzeker omtrent mijn artistieke of literaire talenten.

De waarheid is dat ons verhaal vaak alleen maar dovemansoren bereikt. Ze horen wel, maar ze willen niet horen.

Maar dat kan toch niet de enige reden zijn voor mijn 'ongezocht status als een vergeten Jood'. Het is niet dat ik het niet geprobeerd heb om op zijn minst wat 'lawaai te maken'. Ik heb bijeenkomsten georganiseerd en verzoekschriften ingediend, tentoonstellingen geregeld, mij beroepen op de Verenigde Naties, en ik heb ontmoetingen gehad met ambtenaren van bijna elke westerse regering. Maar op de één of andere manier lijkt het allemaal optellen tot minder dan de som wanneer je een som deelt. Nee, dat nog steeds te vriendelijk. De waarheid is, dat men mijn verhaal niet wil horen.

Kent u het acroniem "MEGO" [My eyes glazed over.] ? Het betekent: "dat de ogen van degene met wie je spreekt, niets meer zien." Dat is de indruk die ik vaak heb gehad als ik probeerde het onderwerp van de Joden uit Arabische landen met diplomaten, verkozen ambtenaren, en journalisten ter sprake te brengen – hun ogen zagen niets ("TEGO" : Their eyes glazed over.).

Nee, ik moet mezelf niet de schuld te geven, alhoewel ik altijd kunnen had meer had kunnen doen omwille van de geschiedenis en rechtvaardigheid. Er is een veel plausibeler verklaring.

Wij Joden uit de Arabische wereld pakten de stukken van onze verbrijzelde levens na onze gehaast vertrek - in het kielzog van intimidatie, geweld en discriminatie – op en begonnen opnieuw ergens anders.

De meesten van ons zijn naar Israel gegaan en waren hier van harte welkom. De jaren nadat we opnieuw begonnen waren, waren niet altijd even gemakkelijk – we begonnen met niets en moesten opnieuw onze plaats in een nieuwe samenleving veroveren. We kwamen als verschillende mensen met allemaal een verschillende graad in opleiding en weinig materiële vaste activa. Maar we hadden iets meer in onze rugzak om ons te ondersteunen door het moeilijke proces van aanpassing aan de nieuwe cultuur waar we onze weg in moesten vinden: onze onmetelijke trots als Joden, ons diepgewortelde geloof, onze geliefde rabbijnen en eigen gewoonten en onze inzet voor Israëls overleven en welzijn.

Sommigen van ons – ergens tussen een kwart en een derde van het totaal – kozen er voor om een ander thuisland te zoeken. Joden uit de Franstalige Arabische landen voelden zich aangetrokken tot Frankrijk en Quebec. Joden uit Libië zochten de gemeenschappen in Rome en Milaan op. Egyptisch en Libanees Joden gingen op in Europa en Noord-Amerika en een paar ontheemden in Brazilië. Syrische Joden immigreerden naar de Verenigde Staten, vooral New York, en Mexico-city en Panama-city. En zo ging het maar door.

Waar we ons vestigden, zetten we onze schouders er onder om een nieuw leven op te bouwen. We leerden de lokale taal als we die niet spraken, zochten en vonden werk, hebben onze kinderen naar school gestuurd en, zo snel als wij konden, bouwden we onze eigen congregaties voor het behoud van de riten en rituelen die zo 'eigen waren aan onze eigen traditie'.

Ik mag een vergeten Jood zijn, maar mijn stem zal ik nog laten horen.

Ik zal nooit de problemen onderschatten of voorbij gaan aan degenen die, om redenen van leeftijd, slechte gezondheid of armoede, hun toekomstdromen niet waar hebben kunnen maken, maar over het algemeen hebben we in een korte tijd gigantische stappen genomen. In Israel en op andere plaatsen op deze wereld.

Ik kan dan wel een vergeten Jood zijn, maar ik zal niet zwijgen. Dat kan niet, want als ik dat doe word ik een medeplichtige aan historische ontkenning en revisionisme.

Ik zal blijven spreken omdat ik niet zal toestaan dat het Arabische conflict met Israël ten onrechte wordt gedefinieerd door het 'prisma van alleen maar een Palestijns vluchtelingenvolk'.

Ik zal blijven spreken omdat wat mij gebeurde, nu gedaan wordt met andere minderheden in de regio met - 'angstaanjagende vertrouwdheid' - de Christenen en de Yazidis, en opnieuw zie ik dat de wereld haar ogen afwendt, alsof ontkenning ooit iets heeft opgelost... Alsof ontkenning ooit iets opgelost heeft...

Ik zal blijven spreken, omdat ik weiger een vergeten Jood te zijn.